Het lijkt opnieuw goed te gaan komen met mijn leeslust.
Mijn appetijt voor boeken verloor ik nochtans in de loop van de humaniora. De honger om te lezen werd bezworen door vervelende opdrachtjes en besprekingen allerhande. Waarom per sé een boek willen ontrafelen en dingen gaan zoeken die er misschien nooit geweest zijn? Is dat niet juist de magie van een boek, dat iedereen er zijn eigen invulling en interpretatie aan kan/mag geven? Ik vraag me overigens nog steeds af of verplichte lectuur en de bijhorende taken jongeren daadwerkelijk aanzetten om een boek ter hand te nemen.
Maar goed, sinds kort heb ik de microbe alvast terug te pakken en ik lees nagenoeg elke avond een stukje in één of meer boeken. De tijd dat ik 2 Rode Ridders (neen, niet de strips) verslond op één dag tijd hoeft niet terug te keren; zolang ik maar opnieuw plezier beleef aan het lezen en niet elk hoofstuk notities hoef te nemen voor later gebruik in werkjes of examens.
Momenteel ligt “Vaders en zonen” (Toergenjev) onder mijn kussen en “De zaak Alzheimer” (Geeraerts) op mijn nachtkastje. Vraag me niet waarom, maar het gebeurt wel vaker dat ik 2 boeken terzelfdertijd aan het lezen ben. Heel af en toe verslind ik nog eens een boek zoals in the good old days. Vorige week heb ik bijvoorbeeld “De stille pijn van Luca” (K. Dieltiens) in nagenoeg één avond uitgelezen. Een mooi boek, geschreven vanuit een niet-alledaags perspectief.
Het was al weer even – veel te lang? – geleden dat de slaap moest wachten op de ontknoping van een boek.
Boektips zijn overigens altijd welkom..